|
|
Manu Baeyens *
|
Curriculum vitae
|
“But my hand will always be imperfect because it’s human. And I think that is where the beauty is.” (Margaret Kilgallen, 1967-2001)
Zou je kunnen zeggen dat Manu Baeyens (1972) een laatbloeier is? Meer dan tien jaar heeft hij louter gebruik gemaakt van de kleuren zwart, wit en grijs, een periode waarin zijn werk werd bevolkt door vreemde creaturen die in een hermetische wereld leken te leven. Niet voor niets is dit vroegere werk meerdere malen vergeleken met dat van Baeyens' landgenoten Patrick van Caeckenbergh en Thierry de Cordier. De ‘wereld’ van Baeyens bestaat nog steeds, alsmede de wezens die haar bevolken. Die doen nog steeds hun eigen, vanzelfsprekende ding.
Anderhalf jaar geleden verhuisde Baeyens van België naar Rotterdam en daar vond hij de sleutel tot zijn doos van Pandorra. In de doos bleek het gebruik van kleur te zitten. Zijn werk is op het eerste gezicht nog steeds mysterieus, maar is toegankelijker geworden. Dieren en mensen bevolkten zijn wereld altijd al, maar ze lijken zich ontpopt te hebben van cocons tot vlinders en hebben een ongekend bevruchtingsproces in gang gezet. Manu Baeyens is productiever dan ooit en het plezier waarmee hij zijn werk maakt, is duidelijk in zijn werk terug te vinden. Steeds meer uithoeken van Baeyens’ wereld worden in kaart gebracht op zijn eigen, expressieve wijze.
Wat verder opvalt, is de grote verscheidenheid aan materialen die hij in zijn universum toepast. Van sec tekenen of schilderen is bijkans nooit sprake. Baeyens heeft in zijn werk een voorliefde voor doorleefde materialen. Oude schilderijen van hemzelf, pagina’s met teksten, illustraties of foto’s uit oude (etnografische) boeken en vodden worden in een en hetzelfde werk opgenomen. Maar ook deksels van conservenblikken, badmatten, kapstokonderdelen en teddyberen worden door hem gebruikt.
Knippend, scheurend, spijkerend, naaiend en schilderend komen de wezens en sferen tot leven. Bijna letterlijk, want al zijn werken lijken bezield, als Afrikaanse fetisjen.
Zijn fascinatie voor de primaire vormen van Afrikaanse kunst is in zijn werk merkbaar aanwezig. Baeyens’ gespitstheid op materiaal overstijgt de huidige collagehype.
Zijn werk is niet knippen om het knippen, niet borduren om het borduren, maar maken om de zaken tot leven te wekken. Daarbij zijn alle middelen / media geoorloofd. Als hij denkt dat er transparant plastic over een werk gespannen moet worden, brèngt hij lagen plastic over het werk aan.
De doorleefde materialen geven zijn werk een enigszins herkenbare lading, een tastbaarheid, en vormen de brug tussen Manu’s wereld en die van de beschouwer van zijn werk.
Naast tweedimensionaal werk maakt Manu Baeyens ook beelden. Zo zijn daar bijvoorbeeld een haas die met elektroden aan een kastje verbonden lijkt te zijn, of een naar de naam Adorno luisterend figuur, bestaande uit teddyberen, die een soort van orgeltje bij zich heeft met lepels als toetsen.
Ontroering en aaibaarheid krijgen zo zowel een culturele als een persoonlijke connatatie. Associaties wijzen je enigszins de weg, maar laten je de beelden zelf afmaken.
Het aan deze tekst voorafgaande citaat is afkomstig van de jong overleden Amerikaanse kunstenares Margaret Kilgallen. Het staat vermeld op de beginpagina van Baeyens’ website. Kilgallen had net als Baeyens een voorliefde voor folk art en maakte in haar werk ook gebruik van pagina’s uit oude boeken. Een kunstwerk diende een persoonlijk en vooral zichtbaar handschrift te bezitten, wilde het voor haar ertoe doen. Manu Baeyens beschikt naar mijn mening over zo’n persoonlijk handschrift. Zijn werk glijdt niet van je af, maar blijft nabroeien in je hoofd ( tekst: J. Dürst Britt ).
Voor curriculum vitae en verdere wetenswaardigheden betreffende deze kunstenaar druk rechtsboven op curriculum vitae en vervolgens op de verschijnende link.
|
|
 |
 |
 |
 |
Overige werken
Narda Alvarado
|
 |
Maria Smits *
|
 |
|
|  |